Vaderland

“Het is 1996.
We waren ongeveer een maand of drie op reis en ik dacht aan mijn verleden en aan mijn pas overleden vader, op het eiland Sumba, het meest zuidelijke eilandje van Indonesië.
Op een gegeven moment werkte ik aan Vaderland. Als een bericht naar huis, maar ook: mijn vaderland was mijn vaderland niet meer, want mijn vader is er niet meer. Dus vaderland was ‘land’. En ik was daarmee bezig op een klif. Beneden was de zee, de Stille Oceaan. Een hele hoge klif en daar zat ik op een soort grasvlakte. Ineens zat er een jongen naast me. Ik schrok. Ik had hem helemaal niet aan zien komen. Ik had oordopjes in. Toen bood ik hem een kretek-sigaret aan en ging gewoon rustig door met het werken aan VADERLAND met mijn walkman en microfoon, terwijl die jongen gewoon naast me zat. Ik dacht aan mijn jeugd.
Het is natuurlijk zo dat veel mensen denken dat dit nummer over Nederland gaat, maar het heeft ten dele met Nederland te maken. Het heeft te maken met het land waar ik vandaan kom. Eigenlijk beschrijf ik de typische kenmerken van Nederland. Dat het alleen maar een verschrikking geworden is. Die molens. Dat was een verleden dat hoorde bij het verleden met mijn vader en dat verleden bestond niet meer. Het is dus eerder een verafschuwing van al die typische kenmerken van Nederland, omdat het pijnlijk was.
VADERLAND.

De eerste zeven dagen

Een vriend van mij, Marius, had een restaurant in de jaren 80. Op een gegeven moment wilde hij mij spreken.

’s Avonds aan de bar, wij met zijn tweetjes. En hij vroeg aan mij: “Zou je geen nummer willen schrijven over aids?” En ik wist helemaal niet wat aids was. Hij vertelde dat hij acht kennissen had verloren aan aids. Aids was een dodelijke ziekte. Aids was een ‘Amerikaanse ziekte’. En niemand wist wat voor een ziekte dat was. En ik zei: “Ja, maar ik weet niets over aids”. Twee jaar later ben ik aan het repeteren met de band in mijn huis. Word ik gebeld. Marius aan de telefoon. Marius lag in het ziekenhuis, hij was stervende. Híj had nu die ziekte, waar ik een lied over zou hebben moeten schrijven. Dus ik naar dat ziekenhuis toe. Ik kon hem eerst niet vinden. Hij lag ergens achterin. Ik moest me ontsmetten voordat ik daar kwam.

Iedereen droeg handschoentjes en iedereen dacht dat aids besmettelijk was. Aids is alleen besmettelijk via sperma en bloed, direct contact. Dus ik loop de kamer binnen en ik geef hem een kus op zijn voorhoofd. En hij zegt tegen mij: “Daar ligt een boek. Zou jij dat gedicht op mijn verjaardag willen voorlezen. Dat is een gedicht van Pessoa.” Hij heeft mij met Pessoa in aanraking gebracht. Het gedichte heette Wanneer de lente komt. En ik begreep het niet, op zijn verjaardag, maar hij bedoelde zijn begrafenis. Uiteindelijk heb ik in 1992 een lied geschreven, dat heet De glimlach van Marius. Is hem ook ter ore gekomen. Toen vroeg hij aan mij of ik samen met hem naar dat lied wilde luisteren. Hij lag boven, door acht buddies omringd en hij wilde op een walkman naar dat nummer luisteren. De Glimlach van Marius. Hij was ongelooflijk ontroerd en hij wilde dát lied op zijn begrafenis. Dat is ook zo gebeurd. En dit, De eerste zeven dagen, is eigenlijk het scheppingsverhaal van een lied en van de dood van Marius. Dus de schepping van de dood en de schepping van het leven van een lied. Het lied heette Tot bloedens toe. En ondertussen hoor je mijn bezoek aan Marius. Dat speelt op de achtergrond voortdurend mee. En ook mijn woede. Ik verdacht het verplegend personeel namelijk van moralisme. Zo van: Boontje komt om zijn loontje. Maar men wist niet wat aids wás, dus dat vond ik onrechtvaardig. DE EERSTE ZEVEN DAGEN.